‘Papa, er staat een man voor de deur die jou kent,’ zegt Gijs.
‘Wie staat er voor de deur?’
‘Het is de papa van Kevin.’
‘Kevin?’
‘Kevin van mijn klas. Zijn papa zegt dat hij je van vroeger kent, van op het college of zoiets.’
‘Ga gewoon even kijken, Bruno,’ zegt zijn vrouw.
‘Iemand die mij van op school kent?’ Bruno knippert met zijn ogen.
‘Papa, kom nu, hij wil je zien.’
Bruno gaat niet via de voordeur naar buiten. Iets dwingt hem de verandadeur open te schuiven. Zo wint hij enkele seconden. Hun kleine terras, dat door een muur afgeschermd is van de straat, lijkt hem plots een oase van rust. Hij strijkt met zijn vingers over de leuning van de bank. Hij zou ’s avonds vaker op die bank kunnen zitten.
Twee fietsen leunen tegen de stenen postbus voor hun huis. Met zijn handen in zijn broekzakken staat een man op de zonovergoten oprijlaan. Zijn krullen zijn uitgedund en hij heeft een pafferig gezicht. Gijs en een jongen met krullend haar staan naast de man.
‘Dit is Kevin,’ zegt Gijs, ‘en dit is zijn papa.’
De man haalt zijn handen uit zijn zakken.
Bruno kijkt naar een plek vlak boven de ogen van de man. Ogen moet je altijd vermijden. Dat herinnert hij zich uit een vorig leven.
‘Ben jij Bruno Oosterlink van het Sint-Jozefscollege?’
Bruno knikt.
‘Dus je bent die Oosterlink.’
De hand van de man ligt nu op de schouder van de jongen. ‘Kevin vertelde dat er een Oosterlink in zijn klas zit.’
De jongen straalt.

Bruno Oosterlink,’ zegt de man. ‘Jij kwam altijd vlak voor me in het alfabet, daarom ben ik je naam niet vergeten.’ Hij grinnikt. ‘Het college,’ zegt de man, ‘dat was een goede tijd.’
Bruno zucht. Het klaslokaal toen, de dingen die hun eigen plaats hadden. Vier rijen met houten tafels en tegen het bord de ijzeren tafel voor de leerkrachten. De zon die ’s ochtends de achterste muur van de klas bescheen en in de namiddag het witte krijt op het bord onleesbaar maakte. Het helle licht. Niets wees er op zo’n schooldag op dat er achter de klasramen leven bestond. Bruno was vaak onrustig in de klas, benauwd voor de jongens van de laatste rij, die kerels met hun grote bek. Daar had hij geleerd om niemand in de ogen te kijken en zijn ongerustheid niet te tonen, dat was de beste manier om te overleven. Dromen deed Bruno nooit in de klas. Dromen was een luxe die hij zich toen niet kon veroorloven. Hij was stil en waakzaam. De schoolbanken hadden zijn overlevingsinstinct getraind.
‘Hoe kom jij in dit dorp terecht?’ vraagt Bruno. De wenkbrauwen van de man bewegen niet.
‘Dat wilde ik jou vragen, ik woon aan de andere kant.’
‘Dit dorp ligt prima om de trein te nemen naar de hoofdstad,’ zegt Bruno. ‘Het ministerie van onderwijs. Bureauwerk. Over enkele maanden doe ik mee aan een examen voor de bevordering naar rang A.’ Bruno propt zijn handen in zijn zakken en verzet zijn voeten tot hij niet meer recht voor de man hoeft te staan. ‘Wat doe jij voor de kost?’
‘Manager, ik ben manager,’ zegt de man.
Het zoontje van de man schudt zijn krullen. ‘Mijn papa schroeft elke dag meubelen in elkaar voor mensen die daar geen tijd voor hebben. Soms mag ik helpen. Soms hé, papa?’
‘Je schroeft meubelen in elkaar,’ herhaalt Bruno tergend traag. ‘En je zei net dat je manager bent.’
‘Ik heb als manager gewerkt,’ zegt de man, ‘nu werk ik voor meubelwinkels. Ik doe graag iets met mijn handen. Voor klanten die geen tijd hebben zet ik meubelen in elkaar. De winkels vragen me.’ De man leunt even op één been. ‘Ik kom handen te kort.’
Bruno kan de grijns om zijn mondhoeken amper onderdrukken. De laatste rij, de kerels met hun grote bek die het allemaal zoveel beter wisten. Zie hem daar nu staan, de klusjesman. Dat is er dus van hem geworden. Bruno recht zijn rug. Nu weet hij het weer. Ronny. De man met de krullen heet Ronny. De rest van zijn naam schiet Bruno niet te binnen.
De man heft zijn hoofd op. ‘Ben je niet te warm gekleed voor dit weer?’ zegt de man. ‘Waarom doe je de rits van je trui niet open?’
Bruno kijkt van de man weg.
‘Net als vroeger op school,’ zegt de man tegen Gijs, ‘je vader is nog net zoals vroeger.’
Gijs kijkt verveeld naar de man en trekt Kevin mee naar de straat.‘Je hebt zeker geen contact meer met de jongens van toen?’ vraagt de man aan Bruno. ‘Met wie zat je daar op die eerste rij? Vannuffel en Deckers, en die uitslover waarvan iedereen altijd de voorbereidingen wiskunde kopieerde. Bannings, zo heette hij. En Bart, natuurlijk. Bart was de enige van jullie eerste rij, die ’s middags meeging om iets te drinken in de Bon Vivant. Jij ging nooit mee,’ zegt de man. ‘Waarom moest jij ’s middags altijd zo nodig bij je ouders thuis gaan eten?’
De oogleden van Bruno trillen.
Gijs rukt op straat aan het stuur van de jongensfiets. Het zoontje van Ronny lacht.
De vrouw van Bruno duikt op. ‘Carla,’ zegt ze, ‘ik ben Carla.’
‘Ronny,’ wijst Bruno, ‘hij heet Ronny.’
‘Dag,’ zegt de man.
‘We hebben allebei op het college gezeten,’ zegt Bruno, ‘in dezelfde klas.’
‘Leuk,’ zegt ze.
‘Hij zat achteraan in de klas,’ zegt Bruno.
Ronny grijnst. ‘Bruno geraakte nooit verder dan de eerste rij.’
‘Zagen jullie elkaar ook buiten de schooluren?’ De stem van Carla.
‘Nee. Bruno verliet zelden het huis van zijn ouders,’ zegt Ronny.
‘Bruno had vriendinnen,’ zegt ze, ‘dat heeft hij me zelf verteld.’
‘Bruno was niet echt geïnteresseerd in anderen, ook niet in meiden. Het verbaast me hem hier te zien met vrouw en kind.’
‘Ronny kletst maar wat,’ mompelt Bruno, ‘zoals al die gasten van de laatste rij. Het is net zoals vroeger.’
De wenkbrauwen van Ronny zijn anders dan zijn hoofdhaar. Ze zijn donker en dik.
‘Zelfs na al die jaren doe je het nog,’ grijnst Ronny.
Stilte.

Waarover hebben jullie het?’ vraagt Carla.
‘Over vroeger op school. Bruno keek nooit in je ogen wanneer hij tegen je sprak. Hij keek erboven of eronder of ernaast. Bijna nooit erin. Of hij draaide zijn hoofd stiekem weg terwijl hij praatte.’
Op Ronny’s lippen kleven kleine speekselblazen.
‘Het was het duidelijkst wanneer hij terugkwam van de schooltoiletten. Dan keek Bruno  helemaal weg,’ zegt Ronny.
Bruno sluit zijn ogen. De toiletten waren altijd het terrein van de anderen. Geuren en geluiden van ondoorgrondelijke werelden. Graffiti op de binnenkant van klapperende deuren. Gelach. Reistips. Uitnodigingen voor party’s. Verhalen over meiden. Gefluisterde geheimen. Elke keer was er iets dat op het begin van het leven leek.
De hand van Gijs wuift in het licht van de ondergaande zon.
Snel beent Bruno naar het voetpad.
‘Ik wil op deze fiets, papa, help me even op deze fiets, het is de fiets van Kevin.’
‘Ik zal naast je lopen,’ zegt Bruno.
‘Laat me, papa, laat me maar.’
Gijs buigt zijn rug over het stuur. De afstand tussen Bruno en zijn zoon wordt steeds groter. Wanneer Bruno naar het huis wil terugkeren, hoort hij de klap. Dan het huilen.
‘Gijs,’ roept hij.
‘Mama, ik wil mama.’
Bruno rent. ‘Laat mij je helpen, mama is aan het praten.’
‘Laat me los, papa. Ik wil mama.’
De armen van zijn vrouw. Als er iets met Gijs gebeurt, verschijnen daar altijd weer de pezige armen van zijn vrouw.
‘Kom maar, mama is bij je.’ Zijn vrouw draagt Gijs het huis in.
‘Ik moet maar eens gaan,’ zegt Ronny, ‘ik zal je niet meer opzoeken. Maar nu weet je toch wie ik ben als we elkaar toevallig tegen het lijf lopen hier in het dorp.’
‘Ik wil naar huis, papa.’ De jongen met de krullen jengelt.
‘Dat van die meubelen is maar tijdelijk,’ zegt de man. ‘Ik blijf het niet doen, gewoon een periode om over mijn leven na te denken. Doe ik regelmatig, zou je ook eens moeten doen.’
Ronny fietst naast de jongen de straat uit. Bruno kijkt hen lang na.

Een vliesje van het kippenvlees klemt tussen Bruno’s kiezen. Met duim en wijsvinger tracht hij het uit zijn mond te plukken. Aan de andere kant van de tafel zit Gijs op de schoot van zijn moeder. Hun blikken hebben zich vastgehaakt aan zijn lippen.
‘We kunnen straks naar een dvd kijken,’ mompelt Bruno terwijl hij het losgepeuterde vliesje op de rand van het bord kleeft, ‘laten we straks gewoon naar een film kijken. Ik zal de tafel wel afruimen. Breng jij Gijs naar bed.’
Een dunne waterstraal loopt over zijn handen. Iemand moet de keukenkraan dringend komen ontkalken. Zijn vingers duwen de borden in een berg schuim. Waar heeft zijn vrouw dit goedkope afwasmiddel op de kop getikt? Zijn moeder waste vroeger nooit af met zoveel schuim.

Vroeger. De onrust op school en thuis. Tijdens zijn kinder- en tienerjaren wachtte hij op de dingen die zouden gebeuren, maar er gebeurde niets. Niet in het huis van zijn ouders en niet in de klas. Helemaal niets. Tijdens de lespauzes bezocht hij regelmatig de schooltoiletten. Daar luisterde hij naar de vreemde wereld rondom hem en wachtte. Hij vroeg zich steeds vaker af of hij ergens een oprit naar het leven had gemist. Zijn angst werd groter. Hij wilde niet dat anderen die angst in zijn ogen zouden zien. Zij hadden de oprit wél gevonden. Zolang hij hen maar niet in de ogen keek, zouden ze zijn angst niet merken, hoopte hij.
Na de middelbare school trok Bruno naar de stad. Hij studeerde en vond een ambtenarenbaan.
Op een dag stond hij in zijn eentje in de refter van een ministerie, niet ver van een groepje collega’s. Bij het groepje aansluiten deed hij niet. Zijn collega’s begonnen te lachen om een opmerking in hun gesprek. Bruno lachte mee. Hij wilde een deel worden van dat lachen. Iemand van zijn collega’s had zich naar hem toe gedraaid en had hem gevraagd waarom hij lachte, dat de grap te maken had met iemand die Bruno helemaal niet kon kennen. Bruno had zijn ogen neergeslagen en had niets geantwoord. Hij had zomaar gelachen, dat leek hem het enige dat hij in afwachting van het leven kon doen. ‘Je lacht omdat wij lachen,’ zei de man, ‘Je bent het toppunt van een solidaire collega.’ Daarna verliet het groepje grinnikend de eetzaal.

In de daaropvolgende maanden ontwaakte Bruno’s overlevingsinstinct. Hij dwong zichzelf om zijn collega’s in de ogen te kijken. Eerst focuste hij op hun wenkbrauwen, dan liet hij zijn blik afglijden naar hun pupillen. Hij probeerde intens aan iets veiligs te denken wanneer hij iemand aankeek. Daardoor verwijdden zijn ogen zich niet te opvallend. Daarna leerde hij zichzelf om woorden te kneden en zijn lippen te bewegen. Hij begon met andere mensen te praten over dingen die hem niet belangrijk leken, maar waarmee hij wel de aandacht van anderen won. Toch bleef de angstige onrust hem benauwen. De tijd bedolf zijn herinneringen onder steeds dikkere lagen stof. Bruno had zichzelf opnieuw uitgevonden en was uiteindelijk vergeten wie hij was geweest.

Het kraken van de treden, de lichte voetstappen van zijn vrouw. Ze komt de keuken in. Hij concentreert zich op het boenen van het aanrecht. Het openen van de koelkast, het klotsen van wijn in een glas. Wanneer ze zich omdraait, beweegt de lucht in de keuken niet, er beweegt helemaal niets. De bank in de woonkamer kraakt.
Wanneer hij een wijnglas gevuld heeft met appelsap, slentert hij naar de woonkamer, trekt een schilderij recht en drinkt van het glas. Hij loopt terug naar de keuken, vult zijn glas opnieuw en gaat naast haar op het puntje van de bank zitten.
Zijn appelsap heeft ongeveer dezelfde kleur als haar witte wijn.
‘Hoe was je dag?’ vraagt hij zonder haar aan te kijken.
‘Goed.’
‘Heb je veel verkocht vandaag?’ zegt hij.
Ze houdt de slokjes wijn even in haar mond voor ze slikt. Dan bewegen haar lippen. ‘Je kijkt nooit in mijn ogen als je tegen me praat, Bruno.’
Hij heft zijn hoofd op en laat zijn blik even van haar voorhoofd naar haar pupillen zakken. Wanneer hij zijn ogen voelt verwijden, buigt hij zich naar zijn glas.
‘Zie je wel,’ zegt ze. ‘Toen ik je leerde kennen dacht ik dat het inbeelding was. Daarna dacht ik dat het aan mij lag. Dat ik te streng naar je keek of zo. Maar dat is het niet. Je wil niet in mijn ogen kijken.’
‘Ik wil wel, Carla.’ Hij zucht en brengt het glas naar zijn mond.
‘Je kijkt weer niet. Je wilt niet.’
Hij tuurt in het glas. ‘Waarom zou ik niet willen?’
‘Wat is het dan?  Kunnen?’
Hij haalt zijn schouders op en nipt het restje appelsap.
‘Heb je niets uit te leggen?’ vraagt ze.
‘Nee.’
Ze lacht schel. ‘Wat wil je eigenlijk van het leven, Bruno, wat wil je van mij?’
‘Laten we het ergens anders over hebben, Carla. We kunnen naar een film kijken.’
‘Ik wil het nergens anders over hebben. Ik praat over jou en mij. Over onze relatie, weet je wel. Wat moet ik met een man die me niet in de ogen durft te kijken?’
‘Hou op.’
‘Wat heb je te verbergen, Bruno?’
‘Niets, helemaal niets.’
‘Wil je eigenlijk nog wel doorgaan met onze relatie?’
‘In Godsnaam, Carla.’
‘Geef antwoord.’

Bruno zet zijn lege glas op een tafeltje en ademt diep in en uit. Hij voelt hoe de Bruno die hij heeft heruitgevonden een onzichtbare grens oversteekt. Hoe zijn vrouw en zoontje die Bruno achternahollen. Hoe de kern van wie hij altijd is geweest aan deze kant van de grenslijn blijft. In het niemandsland. ‘Ik zal je niet bedriegen, als het dat is wat je wil weten,’ zegt hij.
‘Je antwoordt niet op mijn vraag.’ Ze zucht. ‘Je verbergt iets voor me, Bruno.’
Hij zwijgt, grijpt naar zijn glas, merkt verbaasd dat het leeg is, brengt het toch naar zijn lippen. Hij probeert te slikken. Dan laat hij het glas weer zakken.
‘En Gijs, durf je Gijs in de ogen te kijken?’
‘Natuurlijk wel.’ Zijn vingers omklemmen het glas. Zijn knokkels kleuren wit.
‘Dat geloof ik ook niet meer.’ Het restje witte wijn verdwijnt in haar mond.
Hij ploft zijn glas op de lage tafel. Zijn blik glijdt over het versleten tapijt.
‘Ik moet nadenken,’ zegt ze. Ze trekt haar jurk over haar knieën en kruist haar armen.
Hij knikt. Gelaten.
‘Dit jaar gaan we niet op reis naar dat stomme Gardameer,’ zegt ze na een poos. Ze snuift. ‘En vannacht slaap ik bij Gijs.’ Ze duwt zich op van de bank en troont hoog boven hem. ‘Dat je zelfs je eigen zoon niet in de ogen durft te kijken, hoe kan je zo zijn?’

Wanneer Bruno de volgende ochtend zijn krant leest op het perron van het kleine dorpsstation,  komt er iemand naast hem staan.
‘Hallo, Bruno.’
Bruno schrikt.
‘Jullie hebben een leuk huis,’ zegt Ronny.
‘Ja.’
‘Alles oké?’
‘Het gaat wel.’
‘Sorry, dat van die ogen, dat had ik gisteren beter niet gezegd,’ mompelt Ronny.
Het remmen van de trein.
‘Ik moet nog wat voorbereiden voor mijn werk,’ zegt Bruno. Hij wijst naar zijn aktentas. ‘Ik stap in de volgende wagon.’
In een groter station stapt Bruno uit de trein, daalt de roltrap af, hij beent door een ondergrondse gang en klimt een trap op naar een ander perron. Nu alleen nog wachten op zijn aansluitingstrein naar de hoofdstad.
Langs de boord van het perron slentert een jonge vrouw. Tussen haar wang en haar rechterschouder klemt ze haar gsm. Haar mond lacht naar een onzichtbare gesprekspartner. De kop koffie in haar linkerhand blaast keurige wolkjes waterdamp. Ze passeert Bruno en dribbelt naar een plek twintig meter verder, op de plaats waar zo dadelijk de eersteklaswagon zal stoppen.
Langzaam vult het perron zich met mensen. De ratten komen uit hun hol. Hoe komt het dat  op korte tijd ineens zoveel mensen een leeg perron vullen? Enkele minuten geleden stapte Bruno door bijna lege gangen.
De gezichten lijken Bruno op een of andere manier vertrouwd. Alle dingen hebben weer hun plaats gevonden. Bruno staat weer op de plek waar hij moet staan.
De trein nadert. De tweedeklaswagon stopt vlak voor hem. Bruno zoekt een plek tussen de in hun krant gedoken gestalten.

EINDE


Verschenen als verhaal in zijn debuutbundel ‘Het aarzelen van de tijd”.
Uitgegeven bij De Geus.

Illustratie van Vero Beauprez

 

Peter Minten
Hoewel Peter Minten met zijn bundel ‘Het aarzelen van de tijd’ debuteert als auteur-met-boek, is hij met het publiceren van kortverhalen al lang niet meer aan zijn proefstuk toe. Zijn verhalen waren immers al te lezen in verschillende Vlaamse en Nederlandse literaire tijdschriften. Minten werkte als persvoorlichter bij Amnesty International Vlaanderen en als communicatie-expert bij het Kinderrechtencommissariaat.
Website van Peter Minten