De naam Montjoie heb ik sinds 1963 nooit meer gehoord, hoewel hij verre van buitenissig is. De fiere drager ervan was een Waalse reus op tennispantoffels. Hij stapte op een ochtend met een enorme kartonnen reiskoffer uit de kaki legerbus. Eerlijk gezegd hadden wij een jongere rekruut verwacht. Een sportieve knaap van een jaar of negentien in plaats van deze vadsige koning van tegen de dertig.

Toen hij zijn muts afnam had hij iets van de slimste van de drie biggetjes. Maar dan wel in het groot. Hij heette Serge Montjoie en stamde uit een oud en eerbiedwaardig advocatengeslacht uit Namen. Doordat zijn familie relaties had tot in de hoogste militaire kringen, had hij jarenlang uitstel van militaire dienst kunnen verkrijgen, maar nu hij met rasse schreden de dertig naderde, was de Minister van Landsverdediging blijkbaar toch een tikkeltje ongeduldig geworden. Niet dat hij antimilitarist was, maar de hufters hadden hem, alleen en uitsluitend op grond van zijn gigantische gestalte, ingedeeld bij de MP’s! Zag hij eruit als een MP? Nee, eerlijk?! Zag hij er zo uit? Als een MP? Eerlijk? Nee, niet als MP. Maar wel, bijvoorbeeld, als advocaat, gezeten aan een zwaar eikenhouten bureau, bladerend in dikke wetboeken en het hoofd omgeven met blauwe sigarenwalmen. Of als rechter in een leren fauteuil bij een knappend haardvuur, glas wijn binnen handbereik, en aan zijn gepantoffelde voeten twee jachthonden die af en toe luidop droomden.

Hoe hij dan aan de MP’s ontsnapt was? Wel, als goede advocaat had hij de allereerste dag al het militaire reglement van voren naar achteren doorgelezen.  Daar stonden heel boeiende dingen in! Zoals bijvoorbeeld dat een soldaat laarzen moest dragen om deel te nemen aan de militaire oefeningen. En zo kwam het dat hij de volgende dag met het hoofd stond te schudden voor de berg laarzen waaruit hij verzocht werd een passend paar te kiezen.

“Gaat het een beetje?” riep een korzelige QM.
“Neen, integendeel! Het ging helemaal niet!” Hij had ze allemaal geprobeerd, maar geen enkel paar paste.
“Geen enkel?”
“Geen enkel.”
De QM trok spleetoogjes. Hier moest de commandant bijgehaald worden. Die had nog in Korea gevochten en wist bijgevolg hoe dit soort lijntrekkers moest worden aangepakt.
Geen enkel paar, dus hé? Wel, cher ami, dan zouden ze voor hem een paar laarzen op maat laten maken! In Keulen. De QM kreeg opdracht onmiddellijk een afspraak te maken. Dat had Soldaat Milicien Montjoie zeker niet gedacht, hé, dat het zo rap zou gaan?!

Toen hij de volgende ochtend in een jeep,  gezeten naast de chauffeur,  het oefenterrein passeerde, moedigde hij met een vermoeid handgebaar zijn hijgende en puffende kameraden aan zonder op te kijken van ‘Du côté de chez Swann.’
“Waar is het voor?” vroeg in de schoenmakerij een grauwe, graatmagere korporaal.
“Voor een paar laarzen.”
“Azo?” antwoordde de grauwe graatmagere, alsof het ook voor een blik bonen of een busje koperpoets had kunnen zijn. Montjoie moest op een opengespreid exemplaar van ‘Gazet van Antwerpen’ gaan staan, en de korporaal tekende met een vet timmermanspotlood de omtrek van zijn indrukwekkende voeten op het papier. Een dikke hoogrode sergeant kwam om onduidelijke redenen tot spoed aanzetten. Hij was zo te zien de rechtstreekse oorzaak van de grauwte en de graatmagerte van zijn ondergeschikte.
“Wanneer zijn ze klaar?” vroeg Montjoie toen.
De grauwe graatmagere keek van de dikke hoogrode naar Montjoie. Hij leek niets minder dan een aardverschuiving te verwachten. Terecht, want de dikke hoogrode pompte vervaarlijk met zijn neusgaten, wat erop wees dat hij zich nauwelijks kon bedwingen om Montjoie de huid vol te schelden.

“Next week, same time, same place,” zei hij, hopend dat Montjoie daar geen flikker van zou begrijpen.
“Right”, zei Montjoie, en maakte een diepe buiging.

De hele week lag hij in ‘A l’ombre des jeunes filles en fleurs’ te lezen, terwijl zijn radiootje op één of ander largo afgestemd was. Als het één-twee, één-twee van zijn zwoegende kameraden op het binnenplein hem te bar werd, stond hij op en sloot discreet het raam.

“Mooi werk”, zei hij een week later tegen de grauwe graatmagere, die opeens minder grauw werd. Het was blijkbaar al een paar decennia geleden, dat iemand hem nog had gecomplimenteerd met zijn werk.
“Dit is nog maar een begin,” lichtte hij toe. “Nu moet er langzaam naar omhoog gewerkt worden. Als ge volgende week terugkomt, zullen we er al wat meer van kunnen zeggen.”
Montjoies commandant liet niet na de vorderingen van het paar laarzen op de voet te volgen, want Montjoie mocht volgens hem niet al te veel achterop raken. Inderdaad, zijn kameraden waren al behoorlijk fit en hij lag hier maar godganse dagen in ‘Le côté de chez Guermantes’ te lezen. Het zou hem niet licht vallen die achterstand in te lopen. Toen hij ‘Sodomme et Gomorrhe’ uit had, mocht hij terug naar Keulen. De laarzen hadden nu al wat meer vorm.  Hij moest ze nu maar eens aantrekken, zei de grauwe graatmagere.
“Heel, heel mooi,” zei Montjoie, “maar denkt u dat er plaats genoeg is voor mijn steunzolen?”
Drie keer poogde de grauwe graatmagere toen enig geluid uit te brengen. Tevergeefs echter. Zijn mond en tong maakten wel de geëigende bewegingen daartoe, maar er wilde geen klank uit komen. De grauwe graatmagere zakte langzaam op een stoel en slikte zonder water een handvol lichtgele tabletjes door.
“Wat zegt hij?” vroeg de bijgekomen dikke hoogrode.
“Dat…dat… hij steunzolen draagt.”
“En dat zegt hij nu pas?”
De uitbarsting waarvoor de grauwe graatmagere vorige keer had gevreesd, forceerde zich thans een weg naar buiten.
“Godvermiljaardenondedju, you cocksucking fils de putain!”
“Ja, sorry mensen,” zei Montjoie, “maar ik heb nooit eerder laarzen laten maken.”
“En waar zijn uw steunzolen?” drong de dikke hoogrode aan.
“Die moet ik van het leger krijgen, heeft men mij gezegd,” antwoordde Montjoie “Alleen weet ik nog altijd niet bij wie ik daarvoor moet aankloppen.”
Er werd een officier bijgehaald en er werd wat heen en weer gebeld.
“Volgende week gaat ge naar het militair hospitaal om u een paar steunzolen te laten aanmeten”, zei de dikke hoogrode. “En als ze klaar zijn, komt ge ermee naar hier.”
“Next week, same time, same place?” gekte Montjoie.
“Als gij eens een stamp onder uw Waalse kloten moet hebben, moet ge ‘t maar zeggen”, antwoordde de dikke hoogrode.
Montjoie had ‘La prisonnière’ net uit, toen hij naar het ziekenhuis mocht. In één van de zalen herkende hij een paar kameraden die iets hadden verrekt of gebroken tijdens de oefeningen. Bemoedigend knikte hij hen toe, en vroeg toen aan een milicien-verpleger waar hij moest zijn voor steunzolen.
“Tweede deur links.”
“Voor steunzolen?” vroeg een kalende man in het wit. “Dan zijt ge aan het juiste adres. Mag ik uw laarzen even…?”
“Ik heb nog geen laarzen, die moet ik nog krijgen van het leger”, zei Montjoie droogjes.
“Jamaar,” zei de witkiel, “hoe wilt ge nu dat wij steunzolen maken zonder laarzen? Dat is zoiets als een taart bakken zonder bakvorm.”
Montjoie ontstak nu in een pracht van een theaterwoede. Zijn jeugddroom, ooit eens MP te worden, zou op die manier wel nooit in vervulling gaan! Hij zou klacht indienen bij generaal Vivario die bij de Montjoies wel eens aan huis kwam!

De hele duur van zijn opleiding pendelde Montjoie tussen het opleidingscentrum, de schoenmakerij en het militair hospitaal te Keulen. En toen al zijn kameraden flink afgetraind en stijf van het blanketsel naar hun onderscheiden eenheden vertrokken, liep hij nog steeds met zijn uitgezakte advocatenlijf op zijn tennispantoffels in ‘Albertine disparue’ te lezen.

De commandant die er prat op ging dat hij in drie maanden tijd van om het even welke voddenbaal een MP uit één stuk kon maken, beschouwde het geval Montjoie als een échec waar hij zich niet bij neer kon leggen. Nachten achter elkaar voerde hij telefoongesprekken met legerjuristen. Het mocht allemaal niet baten. Soldaat Milicien Montjoie had geen laarzen omdat hij geen steunzolen had, en geen steunzolen omdat hij geen laarzen had. En wat het niet hebben van laarzen inhield, dat wist de commandant toch zeker zelf wel?! Op het laatst dreigde hij in een vlaag van militaire waanzin Soldaat Milicien Montjoie met zijn koperen inktstel de schedel in te slaan, maar dat maakte op de Naamse reus geen indruk.

Op een ochtend zag de commandant zich verplicht te capituleren. Hij was opgestaan met één lichtjes verlamde gezichtshelft.  Met beverige hand harkte hij, langzamer dan ooit, zijn handtekening onder Montjoies overplaatsing naar het Hoofdkwartier van de Ordnancetroepen, waar wij al een paar maanden uit onze neus liepen te eten, en hele vloten papieren bootjes zaten te vouwen.

En zo was het gekomen dus. Wij moesten Soldaat Milicien Montjoie nu maar even met rust laten, hij wou de laatste bladzijden van ‘Le temps retrouvé’ nog lezen, en dan een uiltje knappen, want die lange busreis was hem in de kleren gaan zitten.

EINDE

© Walter van den Broeck

Walter van den Broeck
De Kempenaar Walter van de Broeck werd bekend met zijn geëngageerd toneelstuk Groenten uit Balen dat enkele jaren geleden nog verfilmd werd en zijn vierdelige romancyclus Het beleg van Laken. In 2011 schreef hij de verhalenbundel Een vrouw voor elk seizoen. Zijn recentste roman ( 2013) is „Het alfabet van de stilte”. Zijn werk vertrekt vanuit autobiografische elementen, van het leven van de gewone man waartegen hij de officiële geschiedenis kadert. Van den Broeck won verschillende prijzen. Lees meer op de website van Walter van den Broeck.